Ruggengraat

Ruggengraat

En dat ik ruggengraat heb, zeker weten! Ik zal het aantonen. Een auto haalde me bezopen hard in en knalde bijna tegen me op toen hij terugging naar de rechterrijstrook. Dat kan ik ook, dacht ik, en zoefde hem met 160 kilometer per uur voorbij om zo´n 100 meter voor hem te gaan stilstaan. Ik trok mijn bloedjes van kinderen uit mijn wagen, zette ze op de kofferbak en posteerde mezelf ervoor. Armen gekruist, borst vooruit. De snelheidsmaniak stopte op nog geen tien meter om meteen weer op te trekken. Met een big smile monsterde ik zijn schaamrode kop.

Maar ik wil het over mijn echte ruggengraat hebben. Sinds een drietal weken wringt en wrikt-ie, trekt en treitert-ie me, slorpt-ie mijn kop leeg zodat ik niet meer helder kan denken en mijn beroep uitoefenen: verhalen schrijven. ‘Aha,’ kraaide de reumatoloog alsof hij het wiel had uitgevonden, ‘psoriatrische artritis. Niet dodelijk, hoor, wel lastig. Slikt u maar 20 mg leflunomide per dag. Hier is het recept.’ Ik heb het geweten. Weliswaar een fantastisch glanzende huid zonder schrale rode plekken maar ook felle, achterbakse pijnaanvallen in mijn rug. Niet alleen overdag, ook twee tot drie keer per nacht.

Om mijn ruggengraat tot de orde te roepen loopt de kookwekker naast mijn computer om het uur af. Dat is het signaal dat ik een tube diofreeze op mijn roodgloeiende rug moet leegknijpen om die te koelen. Én dat ik een uur in en rond huis moet gaan ijsberen, pootje voor pootje, met een strak aangespannen motorriem. Alleen dat helpt om elk hobbeltje, al is het maar een broodkorstje voor de vogels in het gras of een nagelriempje op het tapijt, soepel en zonder pijn op te vangen.

Ik zal u nog een sterk verhaal vertellen. Ik wil met mijn lege kop ‒ vanwege dat geslurp van die gemene, valse rugslang ‒ bij de apotheek een herhaalrecept halen en groet onderweg met een joviaal gebaar een bekende. Ik heb graag een prettige buurtsfeer. Maar ik zak plots door mijn knieën en stoot een dierlijk geluid uit. Die bekende schrikt, denkt dat ik hem voor de gek houd. Haastig toetst hij 112 in en loopt hard weg.

Thuis belt mijn vrouw meteen bij hem aan. ‘Z’n ruggengraat zit hem dwars,’ slijmt ze met een allerliefste glimlach. Dat helpt. Hij wenst me sterkte en nodigt me uit, ‘zodra zijn graat het toelaat,’ voor een borrel. Ik mag mijn buur niet zo, dus ik wend bij hem nog steeds vreselijke pijnen voor en zak met een vertrokken gezicht even door mijn knieën.

Mijn leven wordt er niet gemakkelijker op. Met een leeg hoofd ‒ liever heb ik er stenen in dan dat het hol en doods klinkt ‒ is het moeilijk een leugentje om bestwil te verzinnen, laat staan verhalen te componeren. Bovendien: mijn vingers trillen en rillen op de toetsen, mijn zenuwen zijn aangetast. Het geschitter van het computerscherm verblindt me. De opbouw van mijn verhalen gaat mank of loopt spaak. Mijn leeggevreten kop is bijna zo plat als een eurocent, mijn oren vallen ervan af, de gaten in mijn hersens voel ik groeien als kool.

Ik ben niet eens bij machte om het einde van dit verhaal uit mijn toetsenbord te krijgen. Ik wou dat ik geen ruggengraat had maar een losse kop vol fantasie.

31 mei 2016

Deze column is oorspronkelijk geplaatst op de site van Uitgeverij Palmslag. Zie: Chris Huinder

Uw reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s