Uit het eerste hoofdstuk

29 november 2007: de vrouw in de lift
Op het moment dat zijn mobiel om 15.02 uur afging, wist John Derks dat hij nog niet echt geleefd had. Zevenenvijftig jaar en negen maanden had zijn gecontroleerde leven geduurd. Zijn moeder zou dood zijn, hij zou tot nieuw leven worden gewekt.
Een leven dat hij achterwaarts zou moeten afleggen. Hij wist dat hij dat kon en wilde. Een woelende rat in zijn ingewanden had hem erop voorbereid. Eens moest de bel voor de expeditie voor het verdelgen van het dier luiden.
Hoe hij dat nieuwe leven met zijn rug naar de toekomst zou moeten aanpakken, dat wist hij niet. Nog niet. Maar hij zou de strijd aangaan. Zo oud was hij nou ook weer niet. Hij kende zijn zwakheden, zijn permanente neiging tot ontkenning van haar bestaan. Hij kende ook zijn kracht: ondanks alle pijn en ellende die op hem af zou komen: doorbijten.
‘John Derks,’ sprak hij hardop tegen zichzelf in zijn lege kantoor, ‘je tijd is gekomen. Faal niet.’
Het gerinkel van zijn mobiel begon opnieuw. Gewoonlijk lag het toestel bij zijn secretaresse. Twee keer per dag nam John met haar de telefoontjes door, om 11.00 uur en om 16.00 uur. Vandaag was ze naar een cursus, hij had haar aangemoedigd erheen te gaan. Het gerinkel dat diep in zijn hoofd doordrong, verstoorde zijn concentratie op het ingeleverde vertaalwerk.
John was een man die niet overweg kon met onverwachte gebeurtenissen. Hij zette geïrriteerd en tegenstribbelend om zijn nieuwe leven te aanvaarden het geluid van de klassieke pianomuziek op de cd-speler zachter. Het zou misschien zijn vriendin Petra kunnen zijn. Ze zou toch niet afzeggen?
‘John Derks.’
‘Hi John, met Jerilyne.’
Het was zijn jongste zus die na de dood van haar vroeg gestorven man bij haar ongetrouwde, volwassen dochter Mary in Heusden was ingetrokken. Hij zou proberen het gesprek kort te houden; ze had meestal niks van belang te vertellen, maar hij had een zwak voor haar. Haar kwetsbaarheid had geen pantser.
‘Heb je mijn mail gekregen? Ze is gevonden.’
‘Ze? Wie is gevonden? Ik wist niet dat er iemand zoek was.’
‘Joh, luister. We hebben een mail uit Australië gehad. Die heb ik naar jou doorgestuurd.’
‘Australië, zeg je?’
Australië mailde met Heusden? John trok rimpels in zijn voorhoofd. Het gesprek werd verwarrend. Het werk spookte nog door zijn hoofd.
‘Je weet toch nog wel dat Mary vier jaar geleden een bericht op een site heeft gezet waarin ze aangaf dat wij mamma zochten?’
Hij trok het mobiel wat van zijn oor weg. Jerilyne herhaalde haar woorden langzaam en met nogal grote nadruk, alsof hij een warhoofd was. Misschien was hij dat wel. Maar met zijn ouders en hun verleden hield hij zich niet bezig. Allang niet meer.
‘John, ben je er nog? Weet je het nog?’
‘Ja, ik weet wel wie Mary is. Ik luister, vertel maar.’
Hij nam, terwijl hij de luidspreker van zijn mobiel aanzette, nog een tekstblok van het vertaalwerk door.
‘Een dochter van moeder heeft die mail van Mary eindelijk beantwoord. Helemaal vanuit Australië. Je moet het bericht vanavond thuis maar lezen. Ik moet nu weg. Doeg, doeg. Wel spannend, hè?’
Voordat hij iets terug kon zeggen, had zijn zus de verbinding verbroken. Stond ze op het punt een verhaal te vertellen dat misschien boven het niveau van een alledaags koffiegesprek uitsteeg, beëindigde ze het na de eerste zinnen. Ze had meer geschreeuwd dan gesproken.
Een irritante galm teisterde zijn oren. ‘Moeder’. Gelukkig had zijn zus de tweede keer geen ‘mamma’ gezegd.

Met het mobieltje in zijn hand ging hij voor het raam staan. Een klinkerstraat vol geparkeerde auto’s. Het Merwedekanaal dat breed en lui door Utrecht sloop. Een roeiboot met studenten aan de plassende riemen schoof voorbij. Een man, die op een fiets langs het kanaal meereed, gaf hun korte commando’s. Dus daar hing zijn moeder uit. Deep down under. Met een nieuwe dochter. En deze hem onbekende dochter stuurde een mail aan een dochter van zijn zus.
John was ‘onder een ongelukkig gesternte geboren’, zoals hij het zelf verhullend en vormelijk pleegde uit te drukken. Hij had niettemin zijn leven op orde. Na zijn studie Culturele antropologie in Amsterdam en een langdurig verblijf in Portugal was hij met enthousiasme als freelancer voor een vertaalbureau gaan werken. Hij was er de trotse eigenaar van geworden.
Als freelancer had hij zijn werk vanuit zijn huis in Den Bosch gedaan. Voor een afleidend gesprek met de oorspronkelijke eigenaar van het bureau kwam hij persoonlijk het vertaalwerk inleveren, hoewel hij dat ook per post en later per mail kon versturen. Portugees en Spaans waren zijn lievelingstalen. Voor zijn brood had hij ook eenvoudige correspondentie in het Frans en Italiaans aangenomen.
De eigenaar was een hartelijke man, met amusante verhalen over domme vertaalfouten die tot financiële schade hadden geleid. De vertalers die daar verantwoordelijk voor waren, moesten, tot de geleden schade gecompenseerd was, voor niks of een hongerhonorarium vervolgopdrachten doen of ergens anders emplooi zoeken. Dat laatste vond de man meestal te bruut.
Maar de eigenaar met het doorwaaide kapsel van een zeeman vertelde het liefst verhalen over vrouwen die hun levens niet op orde kregen. Ze waren te snel getrouwd of hadden een kind gekregen voor wie ze in hun eentje moesten zorgen; manlief had andere besognes.
Andere vrouwen hadden ‘een heimelijke relatie in verboden liefde’ waarmee hij bedoelde, maar dat was John nooit echt duidelijk geworden, dat ze buitenshuis er een lesbische liefde op nahielden. De man kreeg hem altijd aan het lachen. Hij leek op een of andere manier te weten, dat John zulke opkikkers nodig had.
Meestal bracht John het vertaalwerk tegen het einde van de middag omdat na een uur de man hem dan uitnodigde voor een snelle dronk in het café om de hoek. Terwijl John het kantoor sloot, kamde de man met de mooie naam Jonathan zijn haar. Alleen de langere en dikkere haarvezels die hij met sierlijke halen van zijn arm in ordelijke rijen probeerde te krijgen, hielden het op zijn hoofd uit. ‘Mijn kamgaren vriend’, ging John hem noemen en Jonathan moest er smakelijk om brullen. ‘We nemen nog een laatste, ik sta bij je in het krijt.’
Het cafébezoek liep vaak uit tot twee uur aan levensverhalen, whisky en bitterballen.
John zelf had niet zoveel te vertellen, eenvoudigweg omdat hij niets van belang meemaakte en een ‘bevroren fantasie’ had. Hij was op die term gekomen omdat zijn relaties met vrouwen nogal pover waren en hij zijn avonden meestal alleen thuis doorbracht, bevroren of vastgeklonken in één stoel: lezend en vertalend, studerend en starend.
Jonathan bood hem op een gegeven moment aan om op zijn kosten een jaarcursus Management en Financieel Beheer te doen met uitzicht op overname van het bureau. Dat wilde John maar al te graag. Zijn drift was te slagen: financieel eigen baas te zijn.
Op eigen kosten deed John er een studie Engels bij, hoewel hij die mengelmoes van Germaanse en Oudnoorse knauwtalen van jongs af aan had geschuwd. Gaandeweg ging hij ervan houden.
De overname van het vertaalbureau vijftien jaar geleden was voor hem de eerste kroon op zijn levenspad. Nu wilde hij een serieuze relatie met een vrouw, het liefst met Petra. Dat was nog niet gelukt. Ze was zijn jeugdvriendin geweest, meer uit hoop dan in werkelijkheid. Dat moest veranderen.
Toen ze met elkaar na jaren weer contact hadden, maakten ze wandelingen, bezocht hij tentoonstellingen met haar en prees hardop haar aquarellen en in zichzelf haar verschijning: een gave blondine met esprit die hem beter kende dan hij zichzelf, ook al had hij veel voor haar verzwegen. Zij kon door zijn huid heen kijken, onder het pantser zijn ziel zien. Maar hoe vaak hij haar ook opzocht, zij had steeds een andere vriend met wie ze huis en bed deelde.
Hij kende geen methode haar opnieuw voor zich te winnen. Winnen was een verkeerd woord. Dat snapte hij zelf ook wel.
Hij had een goed stel hersens, sprak zijn talen, maar nog steeds sprak hij niet de taal van haar ziel. Omdat hij zijn gezelschap aanbood, zijn woorden, zijn lichaam, niet zijn ziel. Hun relatie was ‘bevroren’.
Zijn karakter had hij niet mee. Hij had dat zwijgzame dat hij bij andere mannen ook zag. Mannen, die niet echt de pijnen van hun jeugd verwerkt hebben en geen manier kunnen vinden om die te verwerken.
Sommigen dwalen in cirkels rond, laten zich door bijzaken afleiden, hoewel ze dat met een te luide stem ‘noodzakelijke stappen op weg naar verwerking’ noemen. Ze kammen hun haar tot een deftig kapsel of een aanlokkelijke bol krullen. Ze steken zich in een mooi pak of gaan casual op zoek naar vriendschap en een vrouw.
Anderen zoeken langdurig of kort een therapeut op voor cognitieve gedragstherapie of, de hypergevoeligen onder hen, storten zich in een mantrameditatie. Ze verkruimelen hun problematische gevoelens tot oneffenheden in hun bestaan die zij stukje bij beetje, en de kassa van de therapeut rinkelt, willen gladstrijken als kreukels in een overhemd. Onder hun huid, en met hoevelen zijn ze niet, verbergen ze hun grote gevoelens en hun even grote angsten. Ze mijden onverwachte gebeurtenissen, want uit de zwarte gaten daarvan kunnen nare herinneringen aan hun jeugd, hun mislukkingen, hun leed springen. Ze leven veilig, klein en verborgen binnen hun eigen lichaam. De open confrontatie met de buitenwereld is hun te machtig.
John had nooit een therapeut bezocht en had niet aan meditatie gedaan, want in tegenstelling tot die andere mannen had hij geen probleem, kende geen verdriet en ellende. John vond zichzelf beslist geen eenzame man. Hij was een man die de brutaliteit van anderen om zijn leven binnen te dringen niet accepteerde.
Een man van de wereld was hij die de wereld niet nodig had. De wereld meende dat zij hem nodig had en wilde zich aan hem opdringen. Dát maakte dat hij zweeg. Zijn zwijgzaamheid zat niet in hem, maar werd hem opgelegd. Hij leidde daarom het leven van een ander, van een zwijger.
Hij stond vaak voor de spiegel om zijn gezicht te bestuderen. Een goed geproportioneerd gezicht met een wat donker uitgevallen huid, diepbruine ogen die rusteloos waren en een ovale kaaklijn. In tegenstelling tot zijn vriend Jonathan kamde hij zijn haar zelden. Het zat als gebronsde was op zijn hoofd zonder de neiging te hebben op te waaien, ook al liet God de felste stormwinden los.
Zodra John directeur-eigenaar van het vertaalbureau was geworden, wilde hij excelleren in de secure organisatie van het kwartaaluitje voor zijn medewerkers en freelancers: een verantwoorde mix van cultuur en gezelligheid. In afwijking van zijn kamgaren vriend stelde hij dergelijke uitstapjes op prijs. Ze boden hem de mogelijkheid zich in de groep te verschuilen met bons mots, spitsvondigheden en filosofische vergezichten en tegelijk zijn onbestemde gevoel buiten de werkelijkheid te bestaan te ontlopen.
Hij verbood dat zijn medewerkers tijdens die bureau-uitjes met hun mobiel of camera foto’s van hem namen. Zijn gezicht, zijn postuur, zijn silhouet was van hemzelf. Hij had dezelfde angst voor foto’s als enkele volkeren in Latijns-Amerika en Afrika: ze stelen je ziel uit je lichaam. Zijn ziel behoorde hem toe en alleen hem.
‘Voor een spiegel ben ik meester en controleur van mijn eigen ogen, mond, kaak, oren. Mijn hele lichaam en mijn ganse ziel. Op een foto of film bezitten jullie mij. Dat wil ik niet.’
Dat was zijn rechtvaardiging voor deze opvatting, tegenover zichzelf en tegenover anderen.
Ondanks alle controle en zelfbeheersing begon John steeds haastiger in zijn leven te lopen, alsof het onbekende gevaar dat hij achter zich wist steeds dichterbij kwam. Dat alles had een oorzaak en hij wist het. Hij wist het als enige. Aan Jonathan had hij nooit iets verteld, aan zijn collega’s en later aan zijn medewerkers en freelancers niet. Aan de enkele vrienden die hij had ook niet, zoals hij tijdens zijn jeugd ook nooit iets tegen Petra had verteld over het kindertehuis.
Over zijn bestaan voor zichzelf, zijn herinneringen aan zijn verleden en aan de totale mislukking van het huwelijk van zijn ouders zweeg hij als het graf. Dat was zíjn universum, waar alle mensen in zijn omgeving geen toegang toe hadden. Alleen zo kon hij het loerende gevaar van de uitbraak van zijn geheim onder controle houden. Alleen zo kon hij leven. In een harnas.
De angst voor die uitbraak was voor hem net zo intens als die voor de onvermijdelijk ermee gepaard gaande explosie van zijn gevoelens. Hij wist dat de uitbraak, de ontploffing eens zou komen en dat hij die met zijn blote lijf zou moeten opvangen.
29 november 2007, klokslag 15.02 waren de dag en het tijdstip waarop de eruptie zich aankondigde. Hij voorvoelde het. De bel had geluid, het vuur gromde nog in de vulkaan. De explosie zou krachtig zijn en zijn harnas uiteenrijten.

John was vijf jaar. Hij stond met zijn oudste zus Chastelyne in de lift van het kindertehuis, toen een vrouw de dichtklappende deur openrukte, de lift instormde en ‘hello, liefjes’ tegen hen zei. De vrouw was zenuwachtig en streek over hun haren.
John drukte zich tegen Chastelyne aan. Een heerlijke parfum begon zich in de liftkooi te verspreiden en steeg mee naar boven. Een warme geur van verlangen trok zijn neusvleugels open. Chastelyne pakte zijn hand vast.
Op de bovenste verdieping trok een non zijn zus en hem uit de lift, terwijl ze de vrouw met haar andere hand tegenhield. De vrouw gilde boos en gaf hun haastige, talloze kushandjes. De liftdeur sloeg dicht, de klap galmde in zijn oren. De vrouw en de non gleden naar beneden.
Het laatste wat hij zag, waren de zwarte krullen van de vrouw achter het tralieglas van de liftdeur. Het laatste wat hij hoorde was het wegijlende gegil van de vrouw. Haar warme geur was ineens verdwenen.
Hij had haar nooit meer gezien. De helse dreun van de liftdeur en het hoge gegil van de vrouw waren altijd in zijn oren blijven nagalmen, ’s nachts, als zijn bed hoe dan ook opgenomen werd in een wereld van lawaai.
Hij was de galm in zijn oren normaal gaan vinden. Het geluid hoorde evenzogoed bij zijn lichaam als zijn hoofd en zijn voeten dat deden. Hij zou pas ongerust worden als er geen dreun meer in zijn dromen zou klinken.
De galm was het signaal van zijn valse leven, van verkeerd gezelschap. De galm was niettemin zijn trouwe vriend die met hem mee naar bed ging.
‘Het was mamma,’ had Chastelyne gefluisterd. Ze hadden buiten de lift moederziel alleen gestaan en elkaar krampachtig vastgehouden. Het was de meest dramatische gebeurtenis in zijn leven geweest die desondanks niet langer dan vijftien seconden had geduurd.

Terug naar boven