Lindy Jense: Met zijn verbeeldingsvermogen is in elk geval niks mis

Een tuinman die zich wreekt op de man die zijn zoon heeft misbruikt, een student die in de jaren ’70 zijn idealen verliest, een Vughtse kroegbazin die verliefd wordt op de overbuurvrouw. De Bossche auteur Chris Huinder is creatief in het vinden van personages die hem, zoals hij het zelf omschrijft, hun verhalen in zijn oor komen fluisteren. Negen totaal verschillende karakters staan centraal in de korte verhalen waaruit zijn nieuwe bundel ‘Stenen in het hoofd’ bestaat.

Huinder ontleende zijn titel Stenen in het hoofd aan een schilderij waarvan lang gedacht werd dat het door Jeroen Bosch zelf geschilderd was. De Keisnijding is een raadselachtig schilderij waarop een arts (een kwakzalver?) bij een man een steen uit het voorhoofd tevoorschijn haalt. De betekenis van het tafereel is in de loop van de eeuwen verloren gegaan. Is het een symbolisch schilderij, verwijzend naar goedgelovigheid of domheid? Of moet je er de letterlijke weergave in zien van de uitdrukking ‘een steen in je hoofd hebben’, gek zijn? In elk geval wilde het toeval dat enkele weken voor de lancering van Stenen in het hoofd bekend werd dat deskundigen van het Bosch Research and Conservation Project het schilderij beoordelen als “gemaakt door een navolger van Bosch”.

Die authenticiteitskwestie mag museumdirecties dwars zitten, ze tast absoluut niet de thematiek aan die Huinder zo van toepassing vindt op zijn verhalen. Want wie is hier eigenlijk gek? Wat voor toneelstuk wordt hier voor ons opgevoerd? Negen keer maakt de lezer kennis met personages die een crisis in hun leven doormaken, de grip verliezen, proberen ergens mee in het reine te komen.

De Bossche auteur Chris Huinder is creatief in het vinden van personages die hem, zoals hij het zelf omschrijft, hun verhalen in zijn oor komen fluisteren. Foto Piet den Blanken

foto Piet den Blanken

Huinder heeft wat van de wereld gezien. Hij studeerde politicologie en kunstgeschiedenis. Hij werkte als freelance journalist in Portugal en was voor GroenLinks kandidaat voor de Eerste Kamer. Flarden van die biografie dringen door in zijn persoonlijke literaire wereld. Met de keuze voor het korte verhaal heeft Huinder zichzelf een moeilijke taak gesteld. Het korte verhaal is immers bij uitstek een genre waarin ieder woord telt. De auteur moet in staat zijn in kort bestek de lezer een inzicht in een ander leven te gunnen. Dat vereist uiterste taalbeheersing en de ijzeren discipline om ieder woord dat overbodig is, rigoureus te schrappen.

Met zijn verbeeldingsvermogen is in elk geval niks mis. Soepel schakelt Huinder over van de belevenissen van een jonge zwerver in San Francisco naar een oude dirigent voor wie het doek valt. Huinder wisselt in ieder verhaal van vertelperspectief, van land en tijd. Hier en daar sluipt er een welkome humoristische noot in, bijvoorbeeld over de pr-goeroe die zijn werkbezoeken vooral gebruikt om allerhande dames aan de haak te slaan.

Het is overwegend prettig lezen in Stenen in het hoofd. De dialogen komen echter soms wat geforceerd over, alsof ze op het toneel worden uitgesproken. De Vughtse kroegbazin die beschrijft waarom ze zich zo bij haar overbuurvrouw op haar gemak voelt, doet dat onder meer met een lofzang op haar spoelbak. ‘Ik kon me in het glanzende chroom even helder spiegelen als in de spiegels van mijn eigen huis’, laat Huinder haar zeggen. Dat stoort. Huinder heeft verder de neiging om, in weerwil van het schrijvers-adagium ‘show, don’t tell’ zijn tekst te larderen met opmerkelijke vergelijkingen. Zo heeft in het verhaal Sprong in het diepe een parasol ‘uiteinden waarvan de baleinen roofzuchtig naar buiten steken’. In De ring voelt de hoofdpersoon die met reclameborden moet rondlopen zich ‘een ijstaart waaraan door onbekenden geknabbeld en gelikt werd’. In Jeugdliefde heeft een meisje ‘diepbruine ogen die flonkerden als dravietstenen boven haar brede mond’. Hoe poëtisch ook, de tekst was nog sterker geworden als Huinder zich op stilistisch vlak af en toe had weten te bedwingen. Dan was zijn aansporing in het nawoord, om de lezer op eigen kracht te laten oordelen over de keuzes van de personages, pas werkelijk tot haar recht gekomen.

april 2016
Lindy Jense (recensie in online magazine Brabant cultureel